Doeschka Meijsing

Doeschka Meijsing: ‘Het is een klaagschrift wat ik hier schrijf’ (recensie)

Recensie van Doeschka Meijsing: En liefde in mindere mate. Dagboeken 1961-1987. (De Arbeiderspers, 2016) Deze recensie verscheen eerder op www.leesliter.nl.

Dit stukje over de dagboeken van Doeschka Meijsing had ik veel eerder willen schrijven. Ik ben momenteel in between jobs, dus tijd genoeg. Tijd die ik bovendien graag wil besteden aan (onder andere) lezen en schrijven. Maar juist omdat ik zo veel tijd had, viel het lezen van Meijsings zieleroerselen me zwaar. ‘Het is een klaagschrift wat ik hier schrijf, een monotone zang van de eenzaamheid van mijn ziel, waar de vogels geen brood van lusten’ ‒ Meijsings eigen woorden. Af en toe dompelde ik me onder in dit Privé-domeindeel, en las ik een lang stuk achtereen. En steeds kwam ik gedeprimeerd weer boven en sleurde Meijsing me mee in haar lethargie: ‘Ik heb zin om veel te doen, maar elke nacht of ochtend steekt de melancholie de kop op en alles wordt traag en vergeefs. Het brengt dagelijks hoofdpijn, het legt druk op mijn borst.’

Waarom zou ik nog schrijven?
Doeschka Meijsing is halverwege de dertig als ze dit aan haar dagboek toevertrouwt. Haar jongere jaren, waarin ze onbezonnen ging voor het schrijverschap, liggen achter haar. Steeds vaker nemen de depressies het van haar over. Op vijftienjarige leeftijd klonk ze optimistisch en vol levenslust:  ‘Mijn lichaam en geest ga ik tot mijn persoonlijkheid vormen met de handen van mijn wil’. Nu is ze cynisch over het schrijven:

‘Waarom zou ik nog schrijven? Al die moeite om op je donder te krijgen, om uitgescholden te worden, om afgekraakt te horen je liefste bezit. Al die uren die je eraan gewerkt hebt, al die spanningen die het kost, al die angsten die je ervoor hebt dat je het niet kunt […].’

Ze legt de lat dan ook vrij hoog en verfoeit middelmatigheid. Dan liever niet schrijven. De zeventienjarige Doeschka had een vooruitziende blik toen ze zichzelf vergeleek met Icarus, die te hoog vloog. ‘Ik wil boven anderen uit steken, hoewel ik weet dat ik door deze wens dieper zal vallen.’

Nooit ergens vast of thuis
In haar dagboeken gaat Meijsing de strijd aan met zichzelf, met haar somberte en haar grote verlangen dat door niets of niemand gestild wordt. Ze streeft een gedisciplineerd leven na, voorwaarden om goed en veel te kunnen schrijven. Maar keer op keer mislukt dit. Boos op zichzelf vanwege haar onvermogen is ze een gemakkelijke prooi voor depressies. Ze zoekt naar uitwegen in drank en in hevige verliefdheden, maar aan de drank raakt ze verslaafd en haar eerste grote beantwoorde liefde verloopt stroef: ruzies, slaan en onbegrip zijn aan de orde van de dag. Dit alles leidt haar af van wat ze het liefste wil: ‘[M]ijn probleem is dat ik altijd aan de roman denk, altijd rekening houd met het feit dat ik eigenlijk wil schrijven, wat ik vervolgens niet doe. Zo ben ik nooit ergens vast of thuis.’ Dat je iets zo graag wilt, maar het dan toch niet doet ‒ alleen omdat je jezelf er niet toe kunt zetten. Wat een gevangenis moet dat zijn.

En toch…
En toch: klopt het wel dat Doeschka Meijsing ‘zo diep is gevallen’? Al lezende in dit dagboek zou je bijna vergeten dat ze ondertussen verschillende romans publiceerde en een mooie baan had bij Vrij Nederland. Ben Peperkamp en Annette Portegies, de samenstellers en inleiders van de dagboeken, merken droog op:  ‘Het werk van Doeschka Meijsing is dus volop herkend en erkend, hoewel ze daar zelf in sombere buien beduidend anders over kon denken.’

Kleurloos en grof
Dit roept de vraag op naar de toegevoegde waarde van de publicatie van deze dagboeken. Als we Meijsing (in een sombere bui) mogen geloven is die nihil: ze noemt zelf de gedachten in haar dagboeken ‘kleurloos en grof’ en haar ‘meest heldere en lucide gedachten’ staan er niet in. In haar bespreking van Sylvia Plaths brievencollectie, Letters Home, concludeert Meijsing dat Plaths literaire werk per saldo meer onthult over de kwetsbare geest van Plath dan haar brieven. Peperkamp en Portegies in een noot: ‘Het valt niet uit te sluiten dat zij met dit alles ook een impliciet oordeel velt over de status van haar eigen brieven en dagboeken in relatie tot haar romans en verhalen.’

Ondanks alles een succesvol schrijver
Maar gaat deze redenering voor Meijsing wel op? De reden waarom ze Plath in haar brieven minder interessant vindt is haar ‘babbelende toon’, terwijl in Plaths literaire werk juist haar schrijnende angst en woede zichtbaar worden. Dit is van Meijsing niet zo te zeggen ‒ misschien werkt het bij haar zelfs omgekeerd. Haar is wel verweten te afstandelijk en gekunsteld te zijn in haar romans, waardoor het verhaal niet invoelbaar is. Dit is bij deze egodocumenten omgekeerd. Heel schrijnend is het om te lezen hoe de zichtbaar talentrijke Doeschka Meijsing steeds weer tegen haar eigen grenzen oploopt. Haar verleden hijgt haar in de nek en geen zelfanalyse helpt haar het gat in haar ziel te dichten. En dan toch een succesvolle schrijver zijn ‒ dat geeft de ploeterende burger moed.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *